perrons op de modelbaan
De perrons op mijn modelspoorbaan zijn van het type lage perrons met kiezelverharding. Dit geldt zowel voor de perrons van stopplaats Oud-Valkenburg als voor de perrons van station Schin op Geul.
Mijn modelspoorbaan geeft de situatie weer zoals deze was in de periode tussen circa 1920 en 1949. De constructie en vormgeving van de perrons zijn afgestemd op de stijl van deze periode. Dit betreft zogenoemde lage perrons.

foto collectie H.A. Heijnens
afstand spoor-perron | NEM-norm hanteren of niet?
Volgens het Handboek voor Spoorwegtechniek bedraagt de afstand van het hart van het spoor tot de perronwand bij lage perrons 1,55 meter. Voor lage perrons wordt een perronhoogte van 0,33 meter boven spoor (B.S.) gehanteerd.
Op basis van een aantal tests op de modelbaan is gebleken dat er geen problemen zijn met de traptreden van wagens en rijtuigen, aangezien deze hoger geplaatst zijn dan de perronhoogte. Echter, een knelpunt zijn de cilinders van bepaalde locomotieven, met name de FLM BR50, indien het perron in een bocht ligt.
Dit verschijnsel doet zich niet, zoals aanvankelijk gedacht, voor bij het perron aan de binnenzijde van de bocht, maar juist bij het perron aan de buitenzijde van de bocht. Omdat de aandrijving van de Fleischmann-locomotief zich in de tender bevindt, oefent deze een drukkende kracht uit op de locomotief in de richting van de railstaaf aan de buitenzijde van de bocht. Hierbij dient te worden opgemerkt dat de buitenste rail van het spoor in de binnenbocht niet langs het perron loopt, terwijl de buitenste rail van het spoor in de buitenbocht wél langs het perron is gesitueerd. Op dit punt ontstaat daarom de kleinste afstand tussen de locomotief en het perron.
Dit betekent dat de afstand tussen het midden van het spoor en de perronwand niet volgens de oude norm gebouwd kan worden. Conform de NEM 102-norm dient deze afstand 21 mm te bedragen, vermeerderd met een correctiefactor (E) die van toepassing is op bochten. Voor het begin van het perron, waar de radius van de rails 880 mm bedraagt, betekent dit dat de vereiste afstand tussen het midden van het spoor en de perronwand 25 mm is. In werkelijkheid bedraagt deze afstand echter (1550/87) 17,8 mm. Dit verschil is te groot om nog iets realistisch weer te geven.
Proefondervindelijk heb ik vastgesteld dat een afstand van 19,5 mm tussen hart spoor en perronwand werkbaar is. En daarmee hanteer ik dus niet de NEM-norm.

perronwanden
In totaal zal er ongeveer 11 strekkende meter aan perronwanden worden geplaatst. Het is daarom de moeite waard om te zoeken naar een werkbare oplossing.
De perrons langs het traject van De Geuldalbaan hebben in werkelijkheid een hoogte van 0,33 meter B.S. De constructie van de perrons bestaat uit wanden van twee gestapelde dwarsliggers, ondersteund door ingegraven, staande halve bielzen. In model bedraagt de lengte van elke dwarsligger 30 mm, wat betekent dat er ongeveer 700 dwarsliggers en circa 350 staande bielzen nodig zijn om 11 meter aan perronwanden te realiseren.
Eerst overwoog ik om de wanden te maken uit houten latjes. Dit idee komt niet voldoende overeen met de kunststof dwarsliggers van de Weinert rails. Hoewel houten latjes handig zijn vanwege hun flexibiliteit, waardoor ze meebuigen met gebogen perrons, is het natuurlijk wel zo dat dwarsliggers in werkelijkheid recht zijn en niet gebogen. Daarom is besloten om de perronwanden uit styreen te maken. Als basis worden styreenprofielen van 4,8x4,8 mm en 2,0x3,2 mm gebruikt.
Voor de onderste dwarsligger van de wand is gekozen voor een vierkant profiel, aangezien dit stabieler blijft liggen in vergelijking met een strip. Dit profiel is straks niet meer zichtbaar. De styreenprofielen zijn op maat geschuurd met behulp van schuurpapier korrel 80, waardoor er vanzelf groeven ontstaan in de bielzen. Van belang is de totale hoogte van de perronwand (0,33 m B.S.) en de afmetingen van de bovenste biels die zichtbaar blijft. Ik heb mallen gemaakt om de dwarsliggers van styreen op maat te zagen.
Het onderste profiel is hierbij 1 mm korter gehouden dan het bovenste, zodat de bovenkanten later goed tegen elkaar aansluiten. De bielzen zijn met secondelijm bevestigd.
De rails langs de perrons op de modelspoorbaan zijn voorzien van een verkanting. Voor het gemak ben ik gestart met de perronwand in de binnenbocht, waar de rails direct op het rubber is geplaatst.
Om de afstand van 19,5 mm aan te houden, heb ik een hulpmiddel gemaakt van enkele stukjes styreen. Met dit hulpmiddel kan ik de bielzenparen nauwkeurig en eenvoudig op de juiste positie plaatsen.
De styreen bielzen zijn met secondelijm op het rubber bevestigd. Nadat de hele perronwand is geplaatst, worden de rechtopstaande bielzen verlijmd.
Voor het perron langs de buitenbocht vereist de aanleg meer werk. De perronwand dient afgestemd te worden op de verkanting van de rails. Hierbij is gebruikgemaakt van stripjes om elk bielzenpaar te verhogen.
Na het verlijmen is het styreen voorzien van een primerlaag met Citadel Chaos Black Spray. Dit levert uitstekende resultaten op. Om ervoor te zorgen dat de kleur van de dwarsliggers van de perronwanden op de treinbaan overeenkomt met die van de dwarsliggers onder de spoorstaven, is dezelfde kleuropbouw aangehouden.
Na het aanbrengen van de zwarte primer is de volledige oppervlakte voorzien van mijn roestkleur voor spoorstaven. Vervolgens zijn de dwarsliggers van de perronwanden geschilderd met de drie kleuren die gebruikt worden voor de bielzen op de modelbaan.
Daarna is alles met een wash behandeld, en is het geheel met drybrushen bewerkt. Dit is hoe ik de wanden van de perrons op de modelbaan maak.

Om een indruk te geven van het mogelijke eindresultaat, heb ik een achtergrond ingevoegd ter illustratie.

overpad
Om toegang te verschaffen tot het tweede perron wordt er een overpad gemaakt. Het is gebruikelijk om een overpad aan beide uiteinden van een perron te plaatsen, maar dat is in werkelijkheid niet gedaan. Er is gekozen voor de aanleg van één enkele oversteekplaats, in het midden van het perron, recht tegenover het stationsgebouwtje.
Uit afbeeldingen van het perron bij station Oud-Valkenburg blijkt dat een staande halve biels van de perronwand aan weerszijden door de trede van het overpad heen loopt.

afbeelding van Ricks Film Restoration "Mooi Limburg en omgeving Sint Pietersberg in 1918 in kleur! Limburg in color in 1918"
Op de modelbaan zijn voor dit overpad dwarsliggers gemaakt uit styreen, uitgaande van standaard bielzen met een lengte van 2,60 meter.
Het spoorweg overpad is geschilderd volgens het eerder beschreven principe: eerst zwarte primer, vervolgens verf in een roestkleur, en de drie kleuren voor de dwarsliggers. Vervolgens is het afgewerkt met een wash en drybrush-techniek, en voorzien van subtiele 'scheurtjes' die met zwarte verf zijn aangebracht.

verharding perron
De verharding van de perrons op De Geuldalbaan bestaat uit grind, en niet uit bijvoorbeeld een bestrating met klinkers.
Voor de verharding van de perrons wordt gebruikgemaakt van uiterst fijn zand van Minitec, beter bekend als planumzand of planumssand. Dit materiaal gebruik ik in de kleuren Rostbraun (51-1421-04) en Phonolith (51-0421-04).

Hoewel ik de structuur en kleur van het materiaal waardeer, vind ik de verwerking ervan minder optimaal. Het aanbrengen van zand op een laag lijm lijkt effectief te werken. Echter, het verwerken met verdunde lijm na het strooien levert minder bevredigende resultaten op, aangezien hierbij luchtbellen en scheurtjes kunnen ontstaan. De fijne structuur van het zand zorgt ervoor dat de oppervlakte wordt afgesloten door de verdunde lijm. Ditzelfde effect treedt ook op wanneer vooraf wordt besproeid met een oplossing van water en alcohol. Het lijkt erop dat de verdunde lijm niet in staat is om overal volledig door te dringen tot aan het oppervlak van de plaat.
Ik hanteer momenteel de volgende methode:
- Allereerst wordt een basislaag van grof zand aangebracht. Deze basislaag zorgt voor de gelijkmatige verspreiding van de verdunde lijm onder het planumzand.
- Vervolgens wordt deze laag besproeid met een fijne verstuiver, waarbij gebruik wordt gemaakt van een mengsel van water en alcohol in een verhouding van 10:1.
- Daarna wordt verdunde boekbinderslijm (bestaande uit 1 deel water en 3 delen boekbinderslijm) aangebracht met behulp van een pipet.
- Ten slotte wordt met een zeefje een gelijkmatige laag Minitec Planumssand verdeeld.
Na de constructie en beschildering van de perronwanden op de modelbaan is een gedeelte van het perronvolume opgevuld met overtollig materiaal dat niet langer benodigd was.
De verharding van de perrons op de treinbaan begint met het aanbrengen van een laagje zand. Daarna wordt het zand geëgaliseerd met behulp van een strookje styreen, zodat het op gelijke hoogte komt met de perronwanden op de modelspoorbaan. Dit vereist nauwkeurig werken om eventuele oneffenheden te voorkomen.
Daarna zijn de perronwand en het aangrenzende spoor afgeplakt. Nadat het zand is besproeid met een mengsel van water en alcohol, is met behulp van een pipet verdunde boekbinderslijm aangebracht. Aansluitend is een gelijkmatige laag Minitec Planumssand met een theezeef op het oppervlak verdeeld.
De tape aan de bovenzijde van de perronwand wordt verwijderd en het Planumssand wordt met behulp van een paletmes afgewerkt zodat het gelijk ligt met de bovenzijde van de perronwand.
Het zand wordt egaal gemaakt zonder het paletmes van het oppervlak op te tillen. Als het mes toch wordt opgetild, bestaat het risico dat het zand zich aan het mes hecht, waardoor er een oneffenheid ontstaat (zoals te zien op de foto).
Het gladgestreken zand geeft later het idee van een meer belopen deel van de grindverharding. Eventueel achtergebleven zand op de perronwand wordt voorzichtig verwijderd met een penseel.
Daarna wordt de laatste laag van het Planumssand aangebracht, welke bepalend is voor het uiteindelijke aanzicht van het perron. Er wordt gebruik gemaakt van twee kleuren die gecombineerd worden, waarbij de grijze tint voornamelijk aan de buitenzijde wordt toegepast.

Na het uitharden van de lijm wordt duidelijk zichtbaar waar het planumssand van Minitec met het paletmes is aangedrukt.
